zaterdag 7 november 2009

Een goede instructie is het halve werk! 04-11-2009

Ik realiseerde het mij op de terugweg naar Utrecht Centraal: ik heb drie volle lessen gegeven! En nog wel een eigen gemaakte les! Ik heb de les gebruikt die ik samen heb gemaakt met Mirjam. Het was de dag van de luisteropdrachten. Mirjam begon de blokuren van klas B1B en T1X met luisteropdrachten. Het ging om de contrasten hard-zacht, snel-langzaam, hoog-laag. Het tweede gedeelte van de blokuren werden gevuld door mijn les. De luisteropdracht die we gemaakt hebben ging mooi verder in op de luisteropdrachten die Mirjam gaf!
De luisteropdracht: de leerlingen krijgen allemaal 4 mandala’s. Ik geef een korte inleiding met de instructies over de opdracht. We gaan luisteren naar 4 fragmenten. Bij elk fragment hoort een mandala. In de verschillende fragmenten hoor je verschillende sferen en muziek. Die sferen laat je zien aan de hand van kleuren in de mandala’s. Hoog en zacht: lichte kleuren. Zware muziek: donker.
De leerlingen kleuren goed de mandala’s in. Ik loop rond in de klas en vraag soms aan leerlingen waarom ze bepaalde kleuren gebruiken. Veel weten ook goed te verwoorden waarom ze bepaalde kleuren gebruiken.
De eerste les ging bij mij de instructie een beetje rommelig. Ik vergat ook helemaal te vragen wat mandala’s nou eigenlijk zijn! Mijn inleiding was ook veel te kort. Ik nam de tips die ik kreeg mee naar de volgende les: daar ging het goed! Mijn inleiding en mijn instructie waren duidelijk! Dit bracht ook mee dat de les veel rustiger was. De volgende les neem ik dat zeker mee: een goede instructie is het halve werk!

Tips:
- Koppel een iets langere inleiding aan de les; dan kun je daar bij het ‘toetsmoment’ ook weer op terugvallen.
- Gebruik om aandacht te krijgen woorden als ‘Zo, luister even’ of ‘Oké, let even op’.
- Check of ze de opdracht hebben begrepen door te vragen.

Tops:
- 2e les: Duidelijk begonnen. Goede instructie!
- 2e les: Je geeft gedragsregels (je kunt er wel vaker op terugkomen).
- Terugkoppeling tussen de fragmenten door is goed!

dinsdag 20 oktober 2009

Ik heb het (Ooster)licht gezien! 14-10-2009

De les ging eigenlijk wel goed. Ik vind klas B1B echt een hele leuke klas! Ze hebben zin in zingen! Mooi, ik ook namelijk. Ik zou ze ‘The lion sleeps tonight’ aanleren. Daar begon het al: het is weer even inkomen met een nieuwe stage in het nieuwe schooljaar. Er duizelden allerlei ideeën in mijn hoofd; allerlei manieren voor het aanleren van dit nummer. Eén ding wist ik zeker: minder praten, meer muziek! En omdat ik wist dat ik toch nog het niveau moest peilen in deze klas qua zingen (hoe snel leren ze het aan) en omdat ik wist dat wat ik zou voorbereiden in mijn lesopzet nu in de praktijk toch anders zou uitpakken; hield ik mijn ideeën in gedachten, schreef ze uit en ging als het ware met een ideeënhoofd naar het Oosterlicht College. Gwen stelde mij voor en ik ging direct achter de piano zitten. Dat is al punt 1: ik zat al te denken: wat moet ik allemaal zeggen over mijzelf als ik me voorstel? Maar Gwen stelde mij voor en ik kon meteen beginnen! Iedereen stond om mij heen, om de piano. ‘Wat voor nummer gaan we doen juf?’ ‘The lion sleeps tonight.’ Aan de reacties te zien, merkte ik dat ik niet de enige was die het nummer kende. Ik zong het nummer voor en een aantal leerlingen hadden eigenlijk al de neiging om mee te zingen. ‘Wie kent het nummer?’ En ja hoor; het klaslokaal was gevuld met opgestoken vingers. Ik had ook niet anders verwacht. (ha, een verwachting die is uitgekomen!) Maar niet iedereen kende de tekst. Dat viel mij ook op met het voor en nazingen (wat ik deed vanwege de leerlingen die zeiden dat ze niet de tekst goed kenden). Vanwege de klas begon ik met het couplet ‘In the jungle’. Ik dacht dat ze het fijn zouden vinden, omdat het dan in chronologische volgorde aangeleerd zou worden. Dat klopte ook deels wel, maar achteraf had ik het ook anders kunnen doen. Mirjam deed het heel mooi: de leerlingen eerst laten invallen met ‘awimbowee’, dan ‘awhooh’ en dan pas het couplet ‘in the jungle’. Dat had ik eerst in mijn hoofd, maar zoals ik al eerder heb verteld, wilde ik het toch proberen om in chronologische volgorde te doen. Daar is deze stage immers voor: lekker uitproberen. En dat ga ik ook doen!
Het lukte wel. Ik heb de leerlingen het nummer aangeleerd. Ik heb gemerkt dat ik wel echt ALLES wilde uitproberen. Ik wilde de leerlingen de ervaring meegeven dat de stukjes in het nummer door elkaar gezongen konden worden. ‘Het is een canon’, zei een leerling. Inderdaad! Ik merkte dat dat toch iets te snel ging. De leerlingen moeten eerst het nummer ECHT goed kennen, en dat was nog niet bij iedereen het geval (de tekst werd in de coupletten soms door elkaar gehaald of niet juist uitgesproken). En ik dacht in mijn volle enthousiasme: oooeeh, hoe zou awimbowee met de tweede stem erbij klinken? Dat wilde ik de meisjes in de klas laten zingen. Die waren enthousiast en zongen het zo weg! De jongens vonden het toch nog lastig. Hmm…eerst maar gewoon het nummer nog doen en dan komt de rest wel in de volgende les. Ik moet niet teveel in een klap uitproberen haha. Wat ik erg leuk vond waren de meiden die echt enthousiast meededen. Zij knipten lekker met hun vingers en maakten dansbewegingen. Het blijft toch een hit hè?

Ik heb bijna al mijn leerdoelen bereikt! Ik heb de klas zelfs alle coupletten aangeleerd! Ik ben echter niet toegekomen aan de bodypercussie, maar dat was mijn eigen keus. Dit had ik besloten aan de hand van het niveau van de klas. Maar kreeg ik het voor elkaar minder te praten en meer muziek te maken? Volgens mij wel! Ik bleef ook de begeleiding doorspelen als ik aangaf dat de leerlingen moesten invallen. De muziek bleef klinken!
Natuurlijk zijn er weer heel wat kleine didactische dingen die verbeterd kunnen worden, maar voor een eerste les met deze nieuwe stage ben ik zeer tevreden!

Eén ding moet ik toch wel zeggen waar ik trots op ben. Na de les zei mijn stagementor dat ik een natuurlijk overwicht heb in de klas! Ik was verbaasd, omdat mijn voorgaande stagementoren het tegenovergestelde zeiden. Blijkbaar heb ik toch het (Ooster)licht gezien!

Topmoment:
Wat was het heerlijk toen de meiden uit mijn klas meedansten en met hun vingers knipten terwijl ze enthousiast het nummer zongen!
Verklaring: Ik denk dat dit zowel komt door het nummer zelf, als mijn eigen enthousiasme! Ik was erg enthousiast over het nummer en dit liet ik toen ook duidelijk merken aan de leerlingen. Dit gedrag nam een groot deel van mijn klas over.

Vraag van de week:
Wat doe je als je merkt dat enkel de jongens uit de klas moeite hebben met het zingen van een nummer?

zondag 11 oktober 2009

2e stagedag: observeren 07-10-2009

De reis was weer spannend hoor naar onze stageplek. De buschauffeur zou wel aangeven wanneer we bij het Oosterlicht college aankwamen. Heel fijn was dat hij bij elke halte stopte, maar bij de halte van het Oosterlicht College er voorbij reed! ‘Huh? Dat was onze halte!’ ‘Maar hij zou toch stoppen?’ Tja…niet dus. Bij de volgende halte zijn we uitgestapt en lopend naar de school gegaan.

Gwen was ondanks dat ze ziek was, toch voor ons naar school gekomen. We konden kennis maken met haar expressieklas, waar we les aan gaan geven. Aan de hand van de observatieopdrachten van vorig jaar hebben we de les geobserveerd. De les begon met de uitleg van de notenbalk en de g-sleutel (waarom heet die zo?). ‘Er zijn verschillende soorten noten: lange, korte en hoge, lage.’ Eerst behandelde ze de lengte van de noten. Het open bolletje noemen we een hele noot = 4 tellen. Met de uitleg van de vierkwartsmaat speelt Gwen op het keyboard een G. Vraag: hoe vaak speel ik een g? Antwoord: 1 keer. Gwen: ja, want een hele noot duurt vier tellen. Van de hele noot gaan we over naar ‘het open bolletje met een stokje’: de halve noot = 2 tellen.
Een open vraag werd hier ook weer gesteld: Hoeveel halve noten kan ik in één maat zetten? Ook hier laat ze dit horen aan de hand van het keyboard. Ook de kwartnoten en de achtste noten worden behandeld. Gwen weet dit allemaal heel duidelijk uit te leggen zonder gebruik van moeilijke woorden. Op het bord schrijft ze daarna een voorbeeld met het gebruik van kwartnoten EN achtste noten. Ze geeft opdrachten aan leerlingen om die te klappen. Ook klappen ze het voorbeeld een keer klassikaal.
Gwen wisselt de momenten goed af: momenten van uitleg, zelfstandig oefenen, klassikaal. Na de uitleg dat de hoogte van de noten ook kan verschillen, in het speelstuk c-d-e, deelt Gwen de klas in tweetallen in en wijst ze hen ook duidelijk hun plaatsen aan. De leerlingen weten waar ze aan toe zijn en gaan aan de slag. Hierbij liepen Mirjam en ik ook door de klas voor begeleiding. Net als in haar vorige lessen laten de leerlingen na 10 minuten horen wat ze kunnen. Gwen speelt de begeleiding met een aantal leerlingen mee. Vervolgens krijgen de leerlingen weer 10 minuten om zelfstandig te oefenen. Aan het eind van de les konden ze laten horen hoe ver ze waren. Iedere leerling kon minimaal de eerste twee regels spelen! Dat was ook het doel van Gwen.

Ik vond het wel moeilijk om op zoveel dingen tegelijk te letten aan de hand van de observatie opdracht. Ik had ook een opdracht voor mijzelf gemaakt voor pedagogiek om te letten op het gebruik van open en gesloten vragen door Gwen. Dat is mij hier en daar wel gelukt, maar er is zoveel om te observeren. 20 dingen tegelijk!

Op school met reflectie kregen we een opdracht om te bespreken in groepjes. Wat was je beste topmoment? Wat was je grootste dipmoment? Welke leerlingvraag is je het meest opgevallen? Het was moeilijk te bedenken omdat ik begeleid heb en niet een hele les heb gegeven. Maar begeleiden is en blijft natuurlijk ook altijd lesgeven niet te vergeten!

Beste topmoment: Een leerling vroeg mij om hulp. De eerste regel kon zij spelen, maar de tweede regel lukte niet. Ik zag dat zij de laatste maat van de tweede regel precies hetzelfde speelde als de eerste regel. Ik ontdekte dat zij op haar gehoor werkte en de link tussen het bladmuziek en het keyboard niet legde. Ik behandelde met haar de tweede regel stap voor stap. Wat voor noot is dit? Antwoord: een E. En deze? Antwoord: een D. En zo werkte ik de hele regel met haar door. Ze las de noten op. En dat moest ze gaan spelen. Voilà! Het lukte! Ze snapte het en kon alleen verder gaan.
Grootste dipmoment: Een andere leerling begreep de uitleg niet. Ik moest het op een andere manier uitleggen. Ik dacht bij mijzelf dat ik het te moeilijk uitlegde. Hoe zou ik het voor elkaar krijgen dat deze leerling mij begreep?
Meest opvallende leerlingvraag: Kunt u mij helpen? Yes! Ik voelde erkenning dat ik een docent was. Ik was nodig! Dat voelde goed.

vrijdag 2 oktober 2009

Een nieuwe stageplek, nieuwe ervaringen; een frisse stap! 30-09-2009

De reis naar het Oosterlicht College was al een avontuur op zich. Eenmaal aangekomen op het busstation op Utrecht Centraal zagen we het al: een krioelende massa mensen. Mirjam en ik hadden ons letterlijk in de bus aan elkaar vastgeklampt om te voorkomen dat we zouden vallen in de bus. Even overwogen we om een beroep als buschauffeur te nemen, haha, maar toen kwamen we aan bij het Oosterlicht College in Nieuwegein. We liepen naar binnen, door de aula waar een enorme pluizenbol van een beer in het midden van de ruimte ligt te maffen; een kunstwerk. Al gauw vonden we het muzieklokaal en daar ontmoetten wij onze stagementor Gwen.

Gwen was bezig met een speelles aan een VMBO 1 klas. Er hangt echt een leuke en relaxte sfeer in de klas! Het lokaal zelf is ruim en biedt makkelijk mogelijkheden tot speellessen en zanglessen geven. Je kunt gemakkelijk even in een groep bij elkaar komen en samen zingen. Dat is echt heel fijn! En er is een Orff instrumentarium naast het popinstrumentarium! Dat had ik niet bij mijn vorige stages. Het lijkt mij leuk om daar eens iets mee te doen. Maar dat komt allemaal nog wel. Eerst maar eens een les observeren.
Gwen gaf eerst instructie en stelde vragen over het speelstuk. Het ging voor veel leerlingen wat te snel. Na een paar vragen begrepen de leerlingen wat de bedoeling was en was het tijd om het speelstuk in te studeren. Gwen wisselt regelmatig momenten af: uitleg, zelfstandig oefenen, klassikaal, uitleg en weer zelfstandig oefenen. Na de eerste 10 minuten zelfstandig oefenen speelde Gwen de begeleiding en floot zij de melodie mee. ‘Wie denkt dat ie dat ook kan?’ Vrijwel direct steekt een leerling een vinger op en wil de partij meespelen met de begeleiding van Gwen. Het is leuk te zien dat de leerlingen enthousiast zijn en allemaal een keer willen spelen!

Vanwege lesuitval gaf Gwen les aan haar mentorklas. Dit is een wat drukkere groep dan de vorige klas en dat gaf ze ook van tevoren aan. De les stond in het teken van ritme oefenen. Het was een herhaling van de stof en de klas moest vandaag voor een cijfer in tweetallen een ritmebattle klappen: twee verschillende ritmes tegen elkaar in klappen (keuze uit ritmes 1, 2 en 3). Iedereen was druk bezig met oefenen. Tijdens de beoordeling merkte Gwen dat het grootste gedeelte van de klas dit nog te moeilijk vond. Ze wilde graag dat iedereen die les dit onderdeel met een voldoende zou afsluiten. Ze stelde haar plan bij. Iedereen mocht nog 10 minuten hard aan de slag met de ritmestukken. Als je dacht dat je het goed genoeg kon, dan kon je klappen voor een cijfer. Zo niet, dan mocht dat ook in de volgende les. Hier heeft ze goed aan gedaan. Dat extra duwtje in de rug hadden ze even nodig, want ze kunnen het gewoon. Ik vond het echt goed dat uiteindelijk de hele klas met een voldoende naar huis ging!

De derde les gaf ze aan een 2e klas van het VMBO. Gwen zat er tegenop om aan deze klas les te geven. Het is een moeilijke klas om les aan te geven. Ik kon mijn oren niet geloven hoe die leerlingen met elkaar omgingen...schreeuwend. Doordat veel leerlingen aandacht vragen wordt er veel energie gestoken in waarschuwingen. Ze begonnen aan een speelles, net als de eerste klas. Individueel kun je heel goed werken met de leerlingen, maar klassikaal kunnen ze werkelijk schreeuwen. Dat verschil viel mij heel erg op. Gwen weet goed hoe ze de aandacht van de leerlingen krijgt. Haar omgang met de leerlingen ligt dichtbij dat van de leerlingen onder elkaar. Ze maakt erg leuke opmerkingen tussendoor en dat maakt dat ze die aandacht van de leerlingen krijgt.

Ik heb echt zin in deze stage! Ik vraag mij af of ik op de manier zoals Gwen dat doet snel en gemakkelijk met de leerlingen praat. Haar opmerkingen zijn heel leuk en tegelijkertijd heel effectief. Ik denk dat ik hier heel veel ga leren!

zaterdag 5 september 2009

De magie van muziek raakt ons

Op zondag 19 oktober 2008 publiceerde ik het volgende artikel:
Leven = niet zonder muziek
Wanneer iemand tegen mij zegt: ‘Ik houd niet van muziek,’ stel ik vervolgens de vraag: ‘Houd je werkelijk van geen enkele soort muziek?’ Vaak vertellen ze dan wel dat ze toch wel van muziek houden, namelijk van een bepaalde ‘stijl’ muziek. Maar muziek is muziek! Muziek wordt gebruikt in tijden van angst, verdriet, maar ook in tijden waarin je je helemaal super voelt! Muziek verwerkt emoties.
Muziekles is, mede daarom, een belangrijk vak op de basisschool. Het is goed voor de sociale ontwikkeling van uw kind. Muziekles zorgt voor samenhang in de groep. Het is collectief op een creatieve manier bezig zijn. Muziek geeft de vrijheid op een creatieve manier bezig te zijn tussen de lessen door. Het is even iets anders dan rekenen, taal, aardrijkskunde of geschiedenis; vakken die moeilijk worden gevonden. Ik geloof erin dat iedereen muziek kan maken. De een is misschien iets beter in zingen dan de ander, maar de ander is weer goed met een instrument. Met muziek ontwikkelen de kinderen zich en verbeteren ze zich in iets dat al in ze schuilt. Muziek schuilt in iedereen.
Ik vind het heerlijk om met kinderen iets moois op te zetten, muziek maken. Ik vind het heerlijk de kennis over te brengen die ooit op mij is overgebracht. Als docent is het mijn taak dat de kinderen zichzelf zijn en vrij zijn om zich te uiten in muziek. De lol erin hebben. Het gevoel te creëren dat ze zichzelf via muziek kunnen uiten.
Muziek…je kunt er niet omheen. Het bevindt zich overal en nergens.
Leven = niet zonder muziek.

Het is nu woensdag 2 september 2009 en ik kan nog steeds zeggen dat dit geschreven credo nog steeds een aardige basis vormt voor mijn credo over (het vak) muziek van vandaag. Als je deze middag langs het K&W gebouw in Utrecht had gelopen hoorde je niet alleen de klanken van instrumenten en mooie gezangen… Er klonken geluiden van een heftige maar interessante discussie tussen de studenten van Docent Muziek jaar 2. Het begon met de vraag: Wat wil ik van de leerlingen die ik lesgeef? Wat wil ik dat hij/zij moet kunnen aan het eind van de onderbouw van het middelbaar onderwijs? Ik wil verder ingaan op wat ik in mijn vorige credo heb omschreven. ‘… muziek is muziek! Muziek wordt gebruikt in tijden van angst, verdriet, maar ook in tijden waarin je je helemaal super voelt! Muziek verwerkt emoties. […]Het is goed voor de sociale ontwikkeling van uw kind. Muziekles zorgt voor samenhang in de groep. Het is collectief op een creatieve manier bezig zijn. Muziek geeft de vrijheid op een creatieve manier bezig te zijn tussen de lessen door. […]Als docent is het mijn taak dat de kinderen zichzelf zijn en vrij zijn om zich te uiten in muziek. De lol erin hebben. Het gevoel te creëren dat ze zichzelf via muziek kunnen uiten. Muziek…je kunt er niet omheen. Het bevindt zich overal en nergens. Leven = niet zonder muziek.’ Ik denk dat het belangrijk is om daarom zoveel mogelijk aan het werk te zijn met muziek, zowel met zang, samenzang als ook met instrumenten. Luisteren, analyseren, spelen. Van alles een beetje. De eerste stap die ik zal nemen in mijn lessen, is de leerling opleiden tot een reproducerend muzikant. Het leren van blad lezen is van belang en zal uiteindelijk zeer belonen: je kunt alle muziek lezen en ook zingen en spelen. Dit gaat natuurlijk niet zonder oefening. Oefening baart kunst! Ik wil vooral naar succesmomenten toewerken. Na het beoefenen van bestaande muziek is het fijn dat de leerling uiteindelijk met die kennis zelf met muziek aan de slag kan gaan. Het is mooi als uiteindelijk het vrije gevoel gecreëerd wordt dat de kinderen zichzelf ook via muziek kunnen uiten.
Ondertussen ontpopte zich in lokaal K330 een ware discussie over het feit of muziek een middel is of een doel. Ik snap niet waarom sommigen zo hevig willen dat muziek een doel is en geen middel. Als wij de magie van muziek beheersen, is het dan niet prachtig dat wij kinderen kunnen helpen om bijvoorbeeld minder angst voor presenteren te krijgen, door middel van muziek? Is het dan niet schitterend dat wij ons vak kunnen gebruiken als middel? Of willen we slechts muziek als doel: muziek maken om muziek te maken? Doen we het daar eigenlijk wel voor? Ik vraag het me af. Waarom traint en sport een sporter? Om te sporten? Of voor het fijne opgeruimde gevoel dat het hem geeft? Of sport hij voor een goede conditie, om af te vallen of traint hij voor een lekker strak gespierd lichaam? Wij hebben volgens mij allemaal niet gekozen voor muziek om puur muziek te maken, maar omdat wij er ons fijn bij voelen. Als wij ons destijds beter voelden bij het vak tekenen of drama, hadden we daar wel voor gekozen. Maar dat is niet gebeurd. Het is juist dit vak, muziek, dat wij hebben gekozen. Waarom dat? Of het nou als middel is of als doel: De magie van muziek raakt ons.

maandag 1 juni 2009

Kunst = saai!

Aan het begin van het artikel van Karel Berkhout staat: ‘Scholieren moeten cultureel gevormd worden, vindt de overheid. Maar ze vinden kunst zo saai.’ Is dat wel zo? Die opmerking is nogal kort door de bocht, vind ik. Hoe vatten jongeren het begrip kunst eigenlijk op? Ik weet mijn eigen beeld nog wat ik had van kunst: saai en stoffig. Klassieke muziek? Boring! Dat beeld is in de loop der jaren veranderd. Kunst = leuk! Het is niet saai en stoffig, en klassieke muziek is niet alleen maar ‘langzame violen’. Het is maar net hoe jij het beeld van kunst schetst.
Uit het artikel van CJP blijkt dat jongeren tussen 15 en 17 jaar het begrip kunst te smal opvatten. Maar jongeren doen eigenlijk juist veel met kunst! Ze zijn bezig met muziek, zingen, tekenen, schrijven, fotografie en dans. Jongeren gaan naar de bioscoop, popconcerten, musicals, festivals, cabaret. Kunst slaat dus niet alleen op klassieke kunst, zoals schilderijen en klassieke muziek waarbij je stil moet zijn en niet veel dingen mag, zoals de meeste jongeren denken.
De desinteresse van kunst is dus een definitiekwestie. Daarnaast is de stap om te gaan te groot. Het is te duur, te ver, er is niemand anders om mee te gaan of ze zijn bang om uitgelachen te worden. Het klassieke beeld dat jongeren hebben vinden zij saai, dat klopt. Maar we zijn nu wel wat generaties verder: jongeren hebben nu een eigen smaak wat kunst betreft. Ik ben het eens met wat Marjolein de Boer zegt in het artikel van CJP: ‘Verbreedt de cultuurdefinitie. Laat jongeren in discussie gaan en neem hun smaak serieus.’

(271 woorden)

Bronvermelding:
- artikel reader: ‘Violen? Liever ‘arrenbie’’ door Karel Berkhout, 13-10-2005
- artikel internet: ‘CJP: jongeren vinden kunst saai’ door RobzQ, 11-10-2005; http://www.zqcentral.com/index/news/show/4399

Is het om de kunde…of om de kick?

Met muziekonderwijs kun je drie kanten uit. Je kan er een kick van krijgen, veel aan de weet komen of muziek maken. Maar welk van de drie maakt de muziekles tot de ideale muziekles? Hierover waren vooral aan het begin van het muziekonderwijs de meningen zeer verdeeld. We nemen eerst een kijkje in de geschiedenis van het muziekonderwijs.

Het begon allemaal met twee Nederlandse muziekpedagogen: Willem Gehrels 1885-1971 en Ad Heerkens 1913-1985. Willem Gehrels deed baanbrekend werk op het gebied van de muzikale vorming van kinderen. Zijn Methode Gehrels was een van de eerste complete didactische zangmethodes voor het onderwijs, uitgaand van zingen van volksliederen en strevend naar een algemeen muzikale vorming van het kind. In 1928 ontstond het eerste plan om te komen tot een volksmuziekschool. Gehrels wendde zich in 1929 met zijn ideeën tot de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst en het Nederlandsch Muziekpaedagogisch Verbond. In 1931 werd de Stichting Volksmuziekschool opgericht. In 1932 werd begonnen met Algemeen Vormend Muziekonderwijs buiten schooltijd aan 175 leerlingen uit vierde klassen van de lagere scholen. In 1934 werd tevens begonnen met instrumentaal onderwijs naast het verplichte algemeen vormend muziekonderwijs.[1] Het doel van Willem Gehrels was kinderen van minder vermogende ouders de gelegenheid te bieden muziekles te volgen. Muzieklessen moesten, ongeacht rang of stand, bereikbaar zijn voor ieder kind. De belangrijkste pedagogische stelling van Gehrels was dat het kind allereerst moet leren beleven wat muziek is. Dit niet individueel door middel van instrumentaal onderricht, maar in groepsverband, met zingen als uitgangspunt.[2] Ad Heerkens, een generatie later, kwam tot de doelstelling dat bij dat ‘muziekonderwijs voor iedereen’, de wereld van het kind uitgangspunt moest zijn. Heerkens en Gehrels hielden zich allebei bezig met de kennis van muziek. Daar begint echter het verschil tussen beide visies. Bij Gehrels ging het om de kennis van de historie der klassieke muziek, bij Heerkens om de kennis van het muzikaal-maatschappelijk engagement oftewel muziek in samenhang met de maatschappij. Qua uitgangspunt liggen de visies van de twee muziekpedagogen in elkaars verlengde. Er is echter een groot verschil tussen de twee: bij Gehrels gaat het om kunde en bij Heerkens gaat het om de kick.

Voor 1971 werd er geen adequaat muziekonderwijs gegeven, waardoor studenten en uiteindelijk afgestudeerden van de PABO een muzikale achterstand kregen. Hierdoor was het onmogelijk goed muziekonderwijs te leveren aan leerlingen op de basisschool. In 1971 kwam daar verandering in door muziekonderwijskundige vernieuwingen als; muziek als eindexamenvak, grafische notatie, emancipatie van de popmuziek, muziek als maatschappelijk verschijnsel en transformatie van muziek naar andere vormen van expressie. Job ter Steege omschrijft in zijn artikel de jaren ’70 als de magische jaren voor het muziekonderwijs. Het bracht weliswaar verbetering in het voortgezet onderwijs, maar in het basisonderwijs bleef de situatie beroerd. In de jaren ’80 en ’90 deden er zich een aantal ontwikkelingen voor waardoor de toekomstige PABO student betere handvaten kreeg om muziekonderwijs te geven. Hoewel de PABO student eigenlijk te weinig lesuren heeft om zich klaar te stomen voor het muziekonderwijs, gaat de kwaliteit en de onderwijskundige effectiviteit vooruit.[3]

Het muziekonderwijs is op de gemiddelde basisschool nog niet optimaal. Sterker nog, op sommige scholen wordt het vak niet gegeven. De kennis, de kunde en ook de kick daarom schiet te kort bij de docenten die van de PABO afkomen. Omdat zij het vak niet goed genoeg beheersen, laten ze het maar voor wat het is of laten ze het vak zelfs schieten. Nu komt er een nieuwe vraag naar voren: zou muziek in het basisonderwijs verplicht moeten worden? Ik stem daarbij in met het uitgangspunt van Gehrels: ieder kind heeft recht op muziekscholing. Als zij geen muziekles krijgen op de basisschool, zijn ze ook niet klaargestoomd voor muziekles in het voortgezet onderwijs. Voor de muziekdocent daar is er nauwelijks beginnen meer aan. Bovendien heeft elk kind recht op het ervaren van de kunde, kennis EN de kick van muziek! Het behoort bij hun algemene en creatieve ontwikkeling. Neem die kinderen die prikkels voor hun fantasie niet af.

Nu komen weer terug bij de twist: wat is belangrijker in het muziekonderwijs? Kunde of kick? Naar mijn mening is de één niet beter dan de ander, maar vullen die twee elkaar juist aan. De kick van de muziek maakt de kunde, doen wat je kan en begrijpen wat je hoort, leuk. Maar andersom zorgt de kunde van muziek ervoor, dat je er een kick van krijgt. De kennis van muziek maakt het gehele plaatje compleet; daar waren Gehrels en Heerkens het ook over eens. Aan de hand van mijn eigen ervaring van mijn laatst gegeven les zal ik uitleggen waarom juist een combinatie van kunde, kennis EN kick nodig is voor de ideale muziekles.
Een lesonderwerp moet aandacht trekken (en vasthouden). Dat kan doordat de stof relevant is voor de leerling (kennis). Zijn zelfvertrouwen versterkt als het een en ander toegepast kan worden (kunde). De gelegenheid om toe te passen is onontbeerlijk, want daar haalt de leerling de kick uit. Tijdens mijn les wilde ik de vorm van het nummer ‘Let me entertain you’ behandelen. Het nummer vinden ze leuk, wat ervoor zorgt dat ik de aandacht heb. Als docent kun je aangeven wat de lol van de opbouw van een muziekstuk is (herkenbaarheid) en dat dat voor elk nummer geldt; dus ook voor dit toffe lied. Dit houdt de aandacht vast. Dit onderdeel sloeg ik over tijdens mijn les en dat is zonde. Juist dát maakt namelijk de boel relevant voor ze. Later in de les gingen we het nummer zingen. Ik maakte daarbij gebruik van de vorm: ‘Jongens, we beginnen bij A en gaan door tot en met B. Daarna springen we over naar D’. En daar greep ik weer de aandacht. Ineens werd er begrepen waarom ze de opbouw van dit lied hadden uitgezocht. Hetgeen dat de leerlingen zojuist hadden geleerd, begrepen zij (kennis) en pasten zij toe (kunde). Dit gaf een kick!

We zien dat het eigenlijk niet te vermijden valt dat kennis, kunde EN kick elkaar aanvullen. Deze drie hebben elkaar nodig om een goede muziekles te geven. Wanneer één van de drie wegvalt, valt de aandacht voor het geheel ook weg. Zonder de één, kan de ander nauwelijks of niet (gemakkelijk) voortgezet worden. Kortom: kunde, kennis EN kick maakt de muziekles tot de ideale muziekles!

(1052 woorden)

[1] http://www.gehrelsmuziekeducatie.nl/willemgehrels.htm
[2] http://www.gehrelsmuziekeducatie.nl/willemgehrels.htm
[3] artikel reader: Cool, Kick, kennis en kunde; Job ter Steege