zondag 30 mei 2010

Reflecteren volgens het STARR model, 26-05-2010

Situatie: Het is het begin van de ochtend. Ik repeteer met de helft van de klas het eerste deel van het script. Terwijl een paar leerlingen spelen voorin de klas, is de rest rustig. De rest zit overigens in een kring. Hooguit fluisteren er even een paar kinderen, maar verder is de rest stil. Mijn stagementor is niet aanwezig en Marijn werkt in een ander lokaal met de andere helft van de klas. Ik begeleid de leerlingen met het spelen van het script. Ik kies voor deze situatie omdat deze situatie voor mij heel fijn was.

Een tweede situatie is later op de dag. De pauze is geweest en de leerlingen hebben gezongen. De leerlingen zijn onrustig. Ik ga de oesterrock dans oefenen met de leerlingen. Ik deel de klas in twee groepen, d.m.v. leerlingen nummeren (1, 2, 1, 2, etc.). Als de ene groep danst, kijkt de andere groep. Ik heb gekozen voor deze situatie, omdat deze totaal het tegenovergestelde was van de andere situatie.

Taak: Bij de eerst omschreven situatie was het mijn taak om de leerlingen te begeleiden in het oefenen van het script. Ik help de leerlingen het stuk uit het hoofd te spelen en hier en daar geef ik aanwijzingen om het spel te verbeteren. Mijn doel was om de leerlingen het stuk zo te laten spelen, dat alles vloeiend verloopt. Het is de bedoeling dat leerlingen klaar gaan staan als ze merken dat hun eigen scène er bijna aankomt. Ook wil ik geen ruggen meer zien naar het publiek. Wat betreft de hoofdrolspeler probeer ik hem het vertrouwen te geven dat hij het stuk prima kent. Voor iedereen geldt: het is niet erg als je de tekst niet meer helemaal weet. Dan komt het improviseren aan bod. Ik wilde dat alles vloeiend zou verlopen, ook in het oefenproces. Daarom heb ik aan het begin duidelijk de regels uitgelegd (basisregel: wanneer er gespeeld wordt, is de rest stil).

Bij de tweede situatie was het mijn taak om de leerlingen de dans aan te leren. Ik wil dat uiteindelijk de nummers 1 de eerste regel dansen en dat de nummers 2 er dan bijkomen om vervolgens samen verder te gaan. Ik wil dat de nummers 2 eerst kijken naar de nummers 1: zo kunnen zij ook beter de danspassen in hun geheugen opnemen en hebben de nummers 1 ondertussen ruimte genoeg om te dansen in het kleine lokaal.

Actie: Bij de eerst omschreven situatie heb ik gelijk mijn persoonlijke leerdoelen in praktijk gebracht. Om ‘ruismomenten’ te voorkomen heb ik een aantal regels uitgelegd. Zodra de leerlingen gingen roezemoezen greep ik gelijk terug op een eerdere situatie waar ik heel trots op ze was (aan het begin waren ze goed stil). Een enkele keer greep een leerlingen van de tuttige familie een bril erbij. Dat vond iedereen interessant. Ik gaf even de leerlingen de kans om de bril te showen (deed hem zelf ook even op). Vervolgens liet ik een leerling de bril opzetten en gingen we weer verder.

In de tweede situatie was er zoveel geroezemoes dat ik mij eraan begon te irriteren. Ik riep meerdere malen om aandacht. Die kreeg ik even en dan was het weer weg. Op een gegeven ogenblik liet ik Marijn gewoon de muziek aanzetten. Toen hoorde iedereen ineens de muziek en hadden ze hun eerste pas al moeten zetten. Ik zei toen: ‘Ja, te laat.’

Ik heb verschillende manieren gebruikt om de leerlingen stil te krijgen: klappen, muziek aanzetten, aftellen, etc.

Ook heb ik op een gegeven moment 2 leerlingen uit elkaar en aan de kant gezet. (de ene leerling aan de ene kant, de ander aan de andere kant van de klas) Zodra de groepen moesten wisselen stonden ze op om aan de andere kant van de klas te zitten. Ik legde de verantwoordelijkheid bij hen: “Denken jullie dat dit zo verder goed kan gaan?” De leerlingen knikten.

Resultaat: In de eerste situatie was het resultaat van het bespreken van de regels aan het begin heel prettig: de leerlingen waren rustig en stil en deden heel goed mee. Ik kon heel fijn verder werken en de aandacht was er volledig bij. Ook was het voor iedereen even fijn dat er een ‘minipauze’ werd ingelast door de bril te showen. Dat was even leuk tussendoor. Vervolgens konden we gewoon weer verder gaan.

In de tweede situatie heb ik geen last meer gehad van de leerlingen die ik heb aangesproken. Het had gewerkt. De rest van de klas was wel steeds onrustig. De truc van het muziek aanzetten werkte heel goed. Dan had ik de aandacht van alle leerlingen er snel bij. Ook bij het aftellen waren de kinderen daarna heel stil.

Reflectie: In de eerste situatie was ik heel tevreden met het resultaat. Ik heb heel prettig gewerkt met de leerlingen. Ik heb bij iedereen aandacht kunnen schenken aan het spel. De wisseling van scènes verliep vloeiend. Het feit dat ik zelf heel veel in musicals heb gespeeld en zelf heel expressief ben, maakt ook dat de leerlingen willen kijken naar mij als ik iets voor doe. Dat is een van mijn sterkste punten: expressiviteit. Ik zou denk ik, als ik weer net zo duidelijk de regels vertel en consequent terugval op een situatie waar de leerlingen wel heel rustig waren, dan creëer ik weer zo’n prettige oefenles. In deze situatie merk ik echt dat ik heb gewerkt aan mijn ontwikkelpunt: ‘ruismomenten’ waren voorkomen d.m.v. de regels vertellen van tevoren en vertellen hoe ik het wil hebben tijdens het oefenen.

In de tweede situatie was ik niet zo tevreden. Het was heel onrustig. Mijn persoonlijke leerdoel heb ik hier helaas laten liggen. Ik vraag mij af of ik, net als in de situatie hiervoor, ook met het bespreken van de regels een betere ‘ruismomentvrije’ les had kunnen krijgen. Of lag het aan het feit dat de leerlingen al vrij onrustig waren door het zingen en de pauze?

Hoe kan ik de leerlingen rustig krijgen om mijn les beter te laten verlopen?

woensdag 19 mei 2010

Stageles 19-05-2010

Vandaag was het een volle dag. Op de planning stond: script oefenen, nieuw lied aanleren en dansen. Uiteindelijk zijn we aan het laatstgenoemde niet toegekomen. Marijn en ik hebben eindelijk de mogelijkheid gehad om de MixMax te bezichtigen. Dat is de ruimte waar de musical zal worden uitgevoerd. Gezien het feit dat er niemand was dachten we dat we net zo goed daar het script konden oefenen! Ter plekke verzonnen we even een spelletje om iedereen erbij te krijgen: rennen door de zaal en dan…FREEZE! Dat was een leuke inkomer. De zaal werd even volledig gebruikt. Na een verhaal over het opkomen bij een scene en de regels (basisregel: als er gespeeld wordt, is iedereen stil) vertellen, konden we beginnen. We hebben extra aandacht geschonken aan het lopen op het podium. Hoe houd je je gezicht zichtbaar voor het publiek? Vorige keer lieten de leerlingen nog vaak hun rug zien tijdens het spelen. Ik merk nu dat de leerlingen toch beter zichtbaar spelen voor het publiek. Ze zijn er goed mee bezig geweest! De leerlingen spreken nu hun tekst en zorgen er tegelijkertijd voor dat hun gezichten zichtbaar zijn voor publiek. Ik zie haast geen ruggen meer!

Voor onze hoofdrolspeler is het nog lastig om de tekst uit het hoofd te leren. Ik besloot hem te helpen. Ik vroeg hem om het script aan mij te geven. Met zijn handen vastgeklampt aan het papier vroeg hij hoe hij het in hemelsnaam uit zijn hoofd moest doen. Leerlingen maakten opmerkingen over het feit dat hij niet alleen spreektekst maar ook handelingen oplas. ‘Het komt goed.’ Ik merkte dat hij het papier losliet en aan mij gaf. Hij zou zich eraan overgeven, ik kreeg zijn vertrouwen. Ik vroeg hem wat er gebeurde in de scene. Hij vond een kaart, wat stond daar op? Wat doe je als je dan de kaart hebt? Hij vertelde helemaal wat er gebeurde. Toen vroeg ik hem om het te spelen. Het eerste stuk ging helemaal goed. Hij wilde het even opgeven. Toen vroeg ik: ‘Wat doe je als je die kaart vind?’ Daarop ging hij rondlopen: hij speelde de scene helemaal verder uit zijn hoofd! Ik ben er trots op dat ik hem heb laten zien dat het ook zonder script kan. De volgende les wil ik daar meer aandacht aan schenken. Dit was echt mijn TOP van deze les. Ik merk dat deze leerling en de rest van de klas ook hier veel van geleerd hebben: door te kijken waar het verhaal in grote lijnen over gaat, kunnen ze hun tekst beter onthouden!

Met het zingen van het nieuwe lied, het ‘Bloedberglied’, merkte ik op een gegeven moment bij het aanleren dat de leerlingen bepaalde woorden niet uitspraken/zongen. Ik heb de hele tekst de aandacht gegeven en ben stilgestaan bij de betekenis van sommige woorden. Wat betekent het als iemand geen ‘genade’ toont? Het bleek te werken, doordat de betekenis van de woorden duidelijk werd, zongen de leerlingen ook de woorden mee.

Wat mijn eigen leerdoel betreft ben ik vooral bij het aanleren van het lied bezig geweest met het spelen met mijn stem. Sowieso bij het voor- en naspreken moest ik natuurlijk letten op de betekenis en de nadruk op sommige woorden. Ik merkte dat leerlingen het overnamen: het naspreken werd er interessanter door! Leerlingen keken ook plots (deels geschrokken) op toen ik zei ‘Hoe durf je hier te komen?’, een zin uit het lied. Dat maakte dat ik de aandacht van de leerlingen kreeg. Overigens heb ik ook heel wat gefluisterd. Maar ik deed dat vooral als ik wilde dat de kinderen zelf ook fluisterden, bv. als we in rijen liepen naar de MixMax en de hal.

Aan het eind van de les hebben we nog even belangrijke punten doorgenomen: het uit het hoofd leren van het script. Een paar leerlingen hadden nog hun kostuums meegenomen. Hun moeders hebben superwerk verricht! We hebben een prachtige jas voor de drakendokter en een geweldig drakenkostuum voor de gouden draak Goudschub! WAUW!

maandag 10 mei 2010

Dansen en mijn eigen leerdoel: een stap vooruit! 28-04-2010

Hoofdleerdoel: ‘ruismomenten voorkomen’/’orde houden’

Omgezet tot de activiteit: Voor deze les bereid ik een klein stukje tekst voor wat ik wil zeggen aan het begin van de les: ‘Wat gaan we vandaag doen?’

Wat heeft dit te maken met mijn leerdoel?: Ik wil ‘ruismomenten voorkomen’. Hiervoor is duidelijkheid nodig. Door middel van een duidelijke instructie en een korte introductie aan het begin van de les (‘wat gaan we doen?’) wil ik onduidelijkheden en ‘vragen tussendoor’ voor zijn en voorkomen, zodat ik verder kan met mijn les. In mijn les worden veel vragen gesteld als: ‘Hebben we het script nodig deze les?’, ‘Wat gaan we doen?’. Dit wordt vaak meerdere malen gevraagd door verschillende leerlingen. Om deze ‘ruismomenten’ te voorkomen wil ik dus een korte instructie/introductie geven aan het begin van de les.


Deze les ging echt heel goed! Waarom? Wat was er dan zo goed aan? Allereerst ben ik er trots op dat ik aan de slag ben gegaan met mijn eigen leerdoelen. Tot nu toe kwam ik daar eigenlijk helemaal niet aan toe tijdens deze musicalstage! Mijn alles-overkoepelende leerdoel is: ‘ruismomenten voorkomen’. Oftewel: orde houden en toch lekker bezig zijn met je les. Ik heb een brainstormvel gemaakt waarin ik dit leerdoel verklein naar kleinere leerdoelen, die ik weer uitwerk in activiteiten. Voor deze les had ik simpelweg een stuk tekst voorbereid waarin ik vertelde wat we die les allemaal zouden gaan doen. Dit wilde ik om duidelijkheid te creëren bij de leerlingen, om later in de les eventuele vragen en onduidelijkheden voor te zijn en te voorkomen. Ik ben blij dat ik dit heb voorbereid, want ik heb uiteindelijk een intro gegeven, zonder al te veel ge-hakkel en ge-‘ehm’. Mijn eigen leerdoel was realistisch en haalbaar! Dat is heel prettig. Ik wil voortaan voor iedere les een stukje tekst voorbereiden van wat ik wil gaan zeggen in instructies etc.

De Oesterrock-dans was een succes! Ik had goed nagedacht over de opbouw van de dans, zodat ik het goed kon aanleren aan de leerlingen. Wanneer moeten ze invallen; waar begint het nieuwe stukje? De danspassen zijn gestopt in een vorm die past bij de vorm van het lied. Zo kunnen de leerlingen het goed onthouden. Ik heb ook flink nagedacht over de danspassen: wat is moeilijk en wat niet? Is het geschikt voor deze leeftijd? Uiteindelijk heb ik een dans gecreëerd dat past bij het niveau van de leeftijd van de leerlingen uit deze klas.

Ik ben zelf erg enthousiast over het lied en de dans en dat heb ik laten zien tijdens het aanleren. Leerlingen vonden het leuk hoe ik deed en het enthousiasme pikten ze duidelijk over. Ik gaf extra aandacht aan de tegenbewegingen met de handen en voeten. Het werd een uitdaging om het goed te doen.

Wat in mijn achterhoofd ronddwaalde was de gedachte aan de indeling van de klas in een lokaal waar je niet veel ruimte hebt. Kan iedereen het wel goed zien? Eerder in mijn eerste stage deed ik zoiets in rijen, maar daar kreeg ik allemaal opmerkingen van de leerlingen: ‘Ik kan het niet zien’, etc. Dat wilde ik nu voorkomen. Daarom deed ik eerst de hand-jive met de leerlingen, zitten in een kring. Vervolgens leerde ik de kinderen een nieuw stuk aan, staand in een kring. Daar kreeg ik toch weer te maken met de ‘beperking van de ruimte’. De leerlingen botsten tegen elkaar. Ik hoopte dat het niet nodig zou zijn, maar heb toch weer de leerlingen in rijen verdeeld. Dit duurde even, maar dan had ik ook wat en kon ik weer verder. Toen de rijen waren gemaakt, maakte ik een opmerking dat alle ruismomenten in de toekomst zou laten verdwijnen: ‘Ik weet dat het krap is en misschien kun je ook niet alles zien achterin; let goed op je klasgenoot die naast je of voor je staat.’ Enkel 1 leerling was echt te klein achterin en die liet ik ook omruilen met een lange leerling vooraan, maar daarmee had ik alle ruismomenten laten voorkomen voor de rest van de les! Dat was een goede les voor mij. Het was de instructie die in mijn eerste stage ontbrak, maar nu heb ik een stap vooruit gemaakt.