Situatie: Het is het begin van de ochtend. Ik repeteer met de helft van de klas het eerste deel van het script. Terwijl een paar leerlingen spelen voorin de klas, is de rest rustig. De rest zit overigens in een kring. Hooguit fluisteren er even een paar kinderen, maar verder is de rest stil. Mijn stagementor is niet aanwezig en Marijn werkt in een ander lokaal met de andere helft van de klas. Ik begeleid de leerlingen met het spelen van het script. Ik kies voor deze situatie omdat deze situatie voor mij heel fijn was.
Een tweede situatie is later op de dag. De pauze is geweest en de leerlingen hebben gezongen. De leerlingen zijn onrustig. Ik ga de oesterrock dans oefenen met de leerlingen. Ik deel de klas in twee groepen, d.m.v. leerlingen nummeren (1, 2, 1, 2, etc.). Als de ene groep danst, kijkt de andere groep. Ik heb gekozen voor deze situatie, omdat deze totaal het tegenovergestelde was van de andere situatie.
Taak: Bij de eerst omschreven situatie was het mijn taak om de leerlingen te begeleiden in het oefenen van het script. Ik help de leerlingen het stuk uit het hoofd te spelen en hier en daar geef ik aanwijzingen om het spel te verbeteren. Mijn doel was om de leerlingen het stuk zo te laten spelen, dat alles vloeiend verloopt. Het is de bedoeling dat leerlingen klaar gaan staan als ze merken dat hun eigen scène er bijna aankomt. Ook wil ik geen ruggen meer zien naar het publiek. Wat betreft de hoofdrolspeler probeer ik hem het vertrouwen te geven dat hij het stuk prima kent. Voor iedereen geldt: het is niet erg als je de tekst niet meer helemaal weet. Dan komt het improviseren aan bod. Ik wilde dat alles vloeiend zou verlopen, ook in het oefenproces. Daarom heb ik aan het begin duidelijk de regels uitgelegd (basisregel: wanneer er gespeeld wordt, is de rest stil).
Actie: Bij de eerst omschreven situatie heb ik gelijk mijn persoonlijke leerdoelen in praktijk gebracht. Om ‘ruismomenten’ te voorkomen heb ik een aantal regels uitgelegd. Zodra de leerlingen gingen roezemoezen greep ik gelijk terug op een eerdere situatie waar ik heel trots op ze was (aan het begin waren ze goed stil). Een enkele keer greep een leerlingen van de tuttige familie een bril erbij. Dat vond iedereen interessant. Ik gaf even de leerlingen de kans om de bril te showen (deed hem zelf ook even op). Vervolgens liet ik een leerling de bril opzetten en gingen we weer verder.
In de tweede situatie was er zoveel geroezemoes dat ik mij eraan begon te irriteren. Ik riep meerdere malen om aandacht. Die kreeg ik even en dan was het weer weg. Op een gegeven ogenblik liet ik Marijn gewoon de muziek aanzetten. Toen hoorde iedereen ineens de muziek en hadden ze hun eerste pas al moeten zetten. Ik zei toen: ‘Ja, te laat.’
Ik heb verschillende manieren gebruikt om de leerlingen stil te krijgen: klappen, muziek aanzetten, aftellen, etc.
Ook heb ik op een gegeven moment 2 leerlingen uit elkaar en aan de kant gezet. (de ene leerling aan de ene kant, de ander aan de andere kant van de klas) Zodra de groepen moesten wisselen stonden ze op om aan de andere kant van de klas te zitten. Ik legde de verantwoordelijkheid bij hen: “Denken jullie dat dit zo verder goed kan gaan?” De leerlingen knikten.
Resultaat: In de eerste situatie was het resultaat van het bespreken van de regels aan het begin heel prettig: de leerlingen waren rustig en stil en deden heel goed mee. Ik kon heel fijn verder werken en de aandacht was er volledig bij. Ook was het voor iedereen even fijn dat er een ‘minipauze’ werd ingelast door de bril te showen. Dat was even leuk tussendoor. Vervolgens konden we gewoon weer verder gaan.
In de tweede situatie heb ik geen last meer gehad van de leerlingen die ik heb aangesproken. Het had gewerkt. De rest van de klas was wel steeds onrustig. De truc van het muziek aanzetten werkte heel goed. Dan had ik de aandacht van alle leerlingen er snel bij. Ook bij het aftellen waren de kinderen daarna heel stil.
Reflectie: In de eerste situatie was ik heel tevreden met het resultaat. Ik heb heel prettig gewerkt met de leerlingen. Ik heb bij iedereen aandacht kunnen schenken aan het spel. De wisseling van scènes verliep vloeiend. Het feit dat ik zelf heel veel in musicals heb gespeeld en zelf heel expressief ben, maakt ook dat de leerlingen willen kijken naar mij als ik iets voor doe. Dat is een van mijn sterkste punten: expressiviteit. Ik zou denk ik, als ik weer net zo duidelijk de regels vertel en consequent terugval op een situatie waar de leerlingen wel heel rustig waren, dan creëer ik weer zo’n prettige oefenles. In deze situatie merk ik echt dat ik heb gewerkt aan mijn ontwikkelpunt: ‘ruismomenten’ waren voorkomen d.m.v. de regels vertellen van tevoren en vertellen hoe ik het wil hebben tijdens het oefenen.
In de tweede situatie was ik niet zo tevreden. Het was heel onrustig. Mijn persoonlijke leerdoel heb ik hier helaas laten liggen. Ik vraag mij af of ik, net als in de situatie hiervoor, ook met het bespreken van de regels een betere ‘ruismomentvrije’ les had kunnen krijgen. Of lag het aan het feit dat de leerlingen al vrij onrustig waren door het zingen en de pauze?
Hoe kan ik de leerlingen rustig krijgen om mijn les beter te laten verlopen?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten