In les 3 ben ik met de kinderen verder ingegaan op het lezen en klappen van ritme. In de eerste les leerden zij kennis maken met ritme klappen en in les 2 leerden zij kennis maken met de notatie. Wat abstract? Misschien, maar het zorgt er niet voor dat ze ritme minder leuk gaan vinden: het ritme onderdeel van de les vinden zij juist leuk! Toch bleek maar weer dat zij het ritme lezen toch moeilijk vonden en niet helemaal begrepen. Hoe los ik dit op? Hoe krijg ik het voor elkaar dat een kwartnoot in een vierkwartsmaat één tel duurt? Hoe krijg ik het voor elkaar dat de kinderen de achtste noten en de halve noten begrijpen?
De oplossing kwam al tot uiting in les 4! Een oude methode die toch maar weer zijn vruchten afwerpt! Ta, titi, to. De kwartnoten noem ik ‘ta’, de achtste noten ‘ti’ en de halve noten noem ik ‘to’. Wat een vooruitgang binnen één les! Benamingen voor de noten blijken gewoon zeer prettig te werken. Kinderen hebben duidelijk behoefte aan houvast. Dat een klap een bepaald aantal tellen duurt is natuurlijk onlogisch: er klinkt toch maar een klap? Niets meer en niets minder! Natuurlijk zijn er een aantal kinderen die hier geen moeite mee hebben, maar de meerderheid heeft toch behoefte aan iets meer en dat is ‘spraak’.
Oefening baart kunst. Ik schreef een tiental ritmes op het bord. Oeh, teveel? Dat bedacht ik mij ook even voor een paar tellen, maar al snel bleek dat het helemaal niet teveel is en ook niet te weinig! De kinderen kregen juist de zin erin verder te komen: ‘Juf, mag ik het volgende ritme al klappen?’, klonk er al door de klas. ‘Juf, mag ik ritme vijf al klappen?’
Helemaal had ik ze te pakken toen ik ritme tien een ‘bonus’ ritme heb genoemd. De lijn was nog leeg, maar ik zou er noten op gaan schrijven. Ik hoorde al geroezemoes door de klas: ‘Bonus?’ Iedereen was nieuwsgierig: wat zou er komen te staan? Ik zei de kinderen dat ze alvast konden bedenken hoe het ritme te klappen, terwijl ik het schreef. Wat er zo bijzonder was aan het ritme? Alle verschillende noten die zij hadden geleerd kwamen voor in dat ene ritmische stukje. Daarmee had ik ervoor gezorgd dat ik ongestoord mijn rug kon keren naar de klas, zonder dat de kinderen gingen praten. Want tja…iedereen was benieuwd naar de ‘bonus’ van de ritmes! En iedereen wilde het ritme ook klappen!
Ik ben in les 4 lang vooral bezig geweest met het ritme onderdeel, maar ik ben dan ook dik tevreden met de vooruitgang die er geboekt is tijdens die les. Wat een verschil met les 3!
Maar in les 4 wilde ik ook een nieuw lied leren: de ‘Hand jive round’. Deze wilde ik de kinderen al aanleren in les 3, maar ik kwam er niet aan toe tijdens die les.
In les 3 herhaalde ik het aangeleerde liedje van de eerste les: ‘Ik ben de blauwbilgorgel’. Ik wilde graag verbetering aanbrengen in het zingen van de melodie. Deze bleek in de eerste les toch soms lastig te zijn. Een goede oplossing leek mij: de melodie zingen op ‘dadada’. Voor- en nazingen, in stappen. In de eerste les ging het voor- en nazingen van twee zinnen achter elkaar niet goed: de eerste zin kreeg toen de melodie van de tweede zin. Maar wat gebeurde er in les 3? Ik zong de melodie op ‘dadada’ voor van de eerste zin en de kinderen zongen op ‘dadada’ de melodie van de volgende zin! Ze begrepen het dus toch wel en de melodie zat wel degelijk in hun hoofd! Ik moest wel even lachen toen, want ik was verbaasd dat de kinderen nu in één klap hadden aangetoond dat zij wel de melodie goed konden zingen. De ‘blauwbilgorgel’ is ook een leuk lied om de kinderen aan te leren: een liedje met meerdere coupletten, een liedje met fantasie en een liedje met een mooie melodie.
In les 4 kwam dus uiteindelijk toch de ‘Hand jive round’. Een Engels liedje en dat is ook goed te doen met kinderen van groep zes. Liedjes met vreemde talen vinden kinderen juist leuk. Een verhaaltje erbij maakt het natuurlijk helemaal leuk! Een leerdoel voor mijzelf was ook dat ik zogenoemde ‘ruismomenten’ wilde voorkomen: de ‘flow’ moet erin blijven! Een verhaaltje vertellen werkt kan ik je vertellen! Kinderen zijn geboeid en raken helemaal bij je verhaal betrokken en daarmee ook bij je les. En dan nog iets…een liedje met bewegingen is natuurlijk helemaal cool! Zeker als zij een handjive leren: een dans die is ontstaan in de jaren zestig! Superinteressant en het is echt een hit in de klas geworden. Na de les klonk het liedje nog door de gangen.
Tot slot wil ik graag nog een moment beschrijven van les 4.
Wat deed de docent? Op een gegeven moment ging ik zachter praten.
Wat deden de leerlingen? Zij luisterden heel aandachtig en stuk voor stuk was iedereen er met zijn/haar gedachten er helemaal bij.
Wat voelde de docent? Ik merkte het allemaal pas op het moment toen ik zachter ging praten. Het ‘zachter praten’ ging onbewust, maar ik werd mij er wel van bewust wat er bij de kinderen gebeurde: ik voelde mijzelf rustiger worden en het gevoel dat ik alle aandacht ECHT had van de kinderen, kreeg ik ook. Ik kreeg langzamerhand alle controle, met weinig moeite.
Wat voelden de kinderen? Zij voelde een bepaalde ‘spanning’, door middel van het ‘zacht praten’ van de docent, werd het allemaal ‘interessanter’. Zij werden ook rustiger.
Wat wilde de docent? Dat de kinderen luisteren naar mijn uitleg.
Wat wilden de kinderen? Door het ‘zacht praten’ van de docent, leek het spannender en interessanter om ernaar te luisteren.
Conclusie? Zacht praten helpt(!) de kinderen meer betrokken te raken bij hetgeen je wilt vertellen. Er ontstaat een bepaalde spanning: kinderen worden nieuwsgierig en gaan juist luisteren, maar worden ook rustiger omdat jij je stem rustiger gebruikt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten